Artikel

EPC wordt BENG

Vanaf 2020 mogen er alleen nog maar BENG-gebouwen worden gebouwd. Voor deze ‘bijna energieneutrale gebouwen’ gaat niet alleen de aandacht uit naar de energiebehoefte in de winter, maar des te meer naar die in de zomer.

Vanaf 2021 krijgen installateurs en bouwbedrijven te maken met een nieuwe manier om de energiezuinigheid van gebouwen te berekenen. De woningen moeten bijna energieneutraal zijn. De verwachting is dat voor de bewuste invoerdatum van 1 januari 2021 al steeds meer projectontwikkelaars en woningcorporaties de nieuwe eisen vervroegd opleggen. De overheid wil vanaf 2019 al bij gebouwontwerpen met BENG-indicatoren gaan werken.

Nieuwe eisen

Wat zijn de nieuwe eisen voor woningen en appartementengebouwen?

  1. Indicator voor verwarmen en koelen. Maximale energiebehoefte bedraagt 25 kWh/m2/jaar.
  2.  Indicator voor primair energieverbruik (incl. tapwater en ventilatie-energie). Maximaal 25 kWh/m2/jaar.
  3. Indicator voor aandeel hernieuwbare energie. Minimaal 50%.

Het grootste verschil met de huidige energieprestatiecoëfficiënt (EPC) zit in het aantal getallen waarmee het energieverbruik van een woning of gebouw inzichtelijk wordt gemaakt. Er komen drie BENG-indicatoren, waarvan de middelste (primaire energieverbruik) het best is te vergelijken met het huidige EPC-getal, zegt André Kruithof van Nieman Raadgevende Ingenieurs. Kruithof schreef samen met collega Theo Haytink in opdracht van de overheid de ‘Handreiking BENG’. Maar het manco van de huidige EPC is dat op basis van het getal niet duidelijk is hoe de woning er fysiek uitziet. De huidige EPC-eis kun je halen door extreem goed te isoleren, zonder PV-panelen. Maar ook door de woning aan de minimale isolatie-eisen volgens het Bouwbesluit te laten voldoen en het dak vol PV te leggen. Kruithof: “Als je nu een EPC van 0,4 hebt, weet je niet of dat is bereikt door het toepassen van hernieuwbare energie of doordat je heel goed hebt geïsoleerd. Met de komst van de BENG-indicatoren 1 en 3 is dat explicieter gemaakt.”

Oververhitting

Nieuw is dus BENG-indicator 1, de energiebehoefte voor verwarmen én koelen. Hoewel ook de EPC bij oververhitting een fictief getal voor koeling optelt in de berekening, wordt bij BENG-indicator 1 veel gedetailleerder op de koelbehoefte ingegaan. Bij een slecht woningontwerp kan de energiebehoefte voor koeling behoorlijk oplopen zodat er voor verwarming veel minder ruimte overblijft. De koelbehoefte is wel goed beïnvloedbaar, zegt Kruithof. “Het is afhankelijk van het gebouwontwerp, de grootte van de glasvakken, zonwerende beglazing, overstekken of zonwering en zomernachtventilatie. Dat soort zaken hebben er invloed op.” Vloerkoeling telt niet mee bij indicator 1, maar bij 2. Wie een goede woning ontwerpt met minimale opwarming door de zon, ziet dat de energiebehoefte in de zomer nauwelijks optelt bij BENG-indicator 1. Moraal van het verhaal: “We zien dat de aandacht voor de zomersituatie veel groter wordt. Hoe beter je de woning isoleert, hoe beter je ook de aandacht moet vestigen op oververhitting in de zomer.” De WTW-unit en vraaggestuurde MV-boxen beperken de warmtebehoefte. Een WTW heeft invloed op de energiebehoefte en valt onder de eerste BENG-indicator.

Samenspel

BENG-indicator 2 geeft het primaire energieverbruik weer. Wie voor het invullen van indicator 1 voor gasverwarming kiest, houdt zo op het eerste gezicht niets over om aan indicator 2 te voldoen. Want de 25 kWh/m2/jaar bij indicator 1 (energiebehoefte verwarmen/koelen) is gelijk aan het primaire energieverbruik volgens BENG-indicator 2 zodat voor tapwater niks overblijft. Maar indicator 2 is te verlagen door gebruik te maken van hernieuwbare energie (= BENG-indicator 3). Dat kunnen zonnepanelen zijn, maar ook de opbrengst van een zonneboiler of houtgestookte verwarming. Ook de opbrengst van een warmtepomp (minus aftrek eigen energieverbruik) telt mee. Wie weinig dakoppervlakte heeft – zoals bij appartementengebouwen – kan niet automatisch terugvallen op PV-panelen of zonnecollectoren. Een warmtepomp of pelletketel is dan een alternatief om op 50% als percentage hernieuwbaar uit te komen. Een andere oplossing is om BENG-indicator 1 nog verder te verlagen door de isolatiewaardes te verhogen. Hoe dan ook, de drie getallen vormen een samenspel. Het dak vol leggen met PV en niet de energiebehoefte verminderen, is niet meer mogelijk.

Utiliteit

Voor utiliteitsgebouwen worden er andere eisen gesteld. De energiebehoefte voor verwarmen/koelen én ook verlichting (afwijkend van woon gebouwen) is gesteld op 50 kWh/m2/jaar, voor gezondheidszorggebouwen zelfs op 65 kWh/m2/jaar. De reden? De bewoners zijn vaak op leeftijd en hebben het sneller koud. Kruithof. “Je moet rekenen op een hogere binnentemperatuur en dit heeft zijn weerslag op de energiebehoefte. Het primaire energieverbruik is vastgesteld op respectievelijk 60 en 120 kWh/m2/jaar. De eis van minimaal 50% hernieuwbare energie is gehandhaafd. Dat laatste kan in hoge kantoorflats, maar ook appartementengebouwen nog wel lastig worden. Want het dakoppervlakte voor zonnecollectoren en panelen is relatief klein. Een dak vol PV bij torenflats schiet niet echt op. Dit wordt dan ook een aandachtspunt bij de toets in 2018, waarna pas de daadwerkelijke minimumeisen voor de drie BENG-indicatoren worden bepaald. “Bij flats is de uitdaging wat groter dan bij eengezinswoningen. Nu is het de tijd om uit te zoeken of het leidt tot onvolkomenheden.” Overigens kan het aandeel hernieuwbare energie ook worden ingevuld met een houtgestookte (pellet)ketel of warmtepomp.

Tekst: Richard Mooi, foto: Jan de Groot

Dit artikel is verschenen in Installatie en Sanitair 3-2016. Klik hier voor een voordelig (proef)abonnement.