In Nederland kunnen we aardig goochelen met hernieuwbare energie. Het maakt niet uit hoeveel energie je gebruikt, zolang minimaal 50% hernieuwbaar is. De twee-onder-een-kap referentiewoning van RVO, die net voldoet aan het Bbl, heeft een netto warmtebehoefte (EH;nd) van 49,24 kWh/m² per jaar en moet 50% hernieuwbare energie hebben. Dat komt neer op 9019 kWh om te voldoen aan de Energie Prestatie (EP) eisen. Een passiefhuis met een warmtebehoefte van 15 kWh/m² per jaar moet ook 50% halen, wat absoluut gezien slechts 3790 kWh is. Je zou verwachten dat de eerste woning veel meer zonnepanelen nodig heeft dan het passiefhuis. Het verschil is echter slechts twee extra PV-panelen van 430 WP. Daarom is het noodzakelijk om de regelgeving aan te passen.
De BENG zou een goede kostenoptimalisatie geven
Sinds 2021 hebben we een nieuwe energieprestatieberekening, waarbij de netto warmtebehoefte zo laag mogelijk moet zijn. Dit zorgt ervoor dat de investering en het lagere energieverbruik gezamenlijk de laagste Total Cost of Ownership (TCO) geven. Dit is vastgelegd in de Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) eisen. In de BENG-3 eis staat dat minimaal 50% van de energie die je voor het huis gebruikt hernieuwbaar moet zijn. Hernieuwbare energie komt uit bronnen die van nature worden aangevuld en dus niet opraken, zoals zon, wind, biomassa en geothermie.


Warmtepomp als hernieuwbare energie?
Voor het Bbl geldt echter ook de warmte die de compressor van de warmtepomp uit de lucht of bron haalt als hernieuwbare energie. Dit betekent dat hoe meer warmte-energie je nodig hebt voor verwarming en warm water, des te meer hernieuwbare energie je al krijgt van de warmtepomp. Dit terwijl de besparing oftewel “warmtehergebruik” van de WTW in een balansventilatiesysteem niet meetelt, wat nadelig is om ventilatie met WTW toe te passen in de BENG. Hierdoor ontstaat de situatie dat meer installatie met een groter vermogen warmtepomp gunstiger is dan meer isolatie en warmteterugwinning uit ventilatielucht.
Het rendement van WTW is hoger dan van een warmtepomp
Een passiefhuis heeft altijd PV-panelen nodig, zelfs als het in dit geval maar één is. De kleine warmtepomp van 2,5 kW levert te weinig hernieuwbare energie, omdat de balansventilatie met warmteterugwinning 20 kWh/m2 per jaar minder energie verbruikt ten opzichte van een CO2-gestuurde mechanische afzuiging met zelfregelende roosters. De WTW wordt echter niet aangemerkt als hernieuwbare energie. Terwijl het juist de warmte uit de afgeblazen lucht haalt en teruggeeft aan de nieuwe lucht, op een veel efficiëntere manier dan een warmtepomp met een rendement uitgedrukt in een equivalent van de COP-waarde van 25 als het heel koud is.

Oplossing: regelgeving aanpassen
Het is noodzakelijk om de regelgeving op dit gebied aan te passen. Hernieuwbare energie zou alleen moeten worden berekend op basis van opwekking uit zon, wind, biomassa en geothermie. Ook bij warmtenetten zou de warmte uit de bronnen niet als hernieuwbare energie moeten worden gezien. De efficiëntie van ventilatiesystemen en warmtebronnen kan goed worden afgewogen met de primaire energiebehoefte in BENG-2, zonder dit in BENG-3 mee te nemen. Het is beter om te kijken naar een zo laag mogelijk aansluitvermogen van de warmtepomp. Een 2,5 kW warmtepomp in een passiefhuis kan met een elektrisch vermogen van 800 W worden aangesloten en kan ook nog makkelijk 48 uur zonder verwarming functioneren als er iets stuk gaat. Een woning die net aan alle Bbl-eisen voldoet met een ventilatiesysteem C heeft een groter vermogen nodig (6 kW) en een back-up die even groot is als het thermisch vermogen.
Meer op het Lowtech festival
In de hoogte van de BENG-3 eis kan de verlaging van het aansluitvermogen beter worden meegenomen. Als deze laag is, bijvoorbeeld door passiefhuis en gebruik van energieopslag, kun je het elektriciteitsnet flexibeler gebruiken. Zorg ervoor dat gebouwgebonden energieopslag en verlaging van het aansluitvermogen worden gewaardeerd om netcongestie te voorkomen.
Op het Lowtech festival van DNA in de bouw op 27 maart 2025 vertel ik hier meer over tijdens mijn presentatie ‘Praktijkcases lowtech bouwen’.



“Een woning die net aan alle Bbl-eisen voldoet met een ventilatiesysteem C heeft een groter vermogen nodig (6 kW) en een back-up die even groot is als het thermisch vermogen.”
Waarom moet een woning die niet aan het Bbl voldoet wél een back-up nodig, en een woning die daar wel aan voldoet niet?
Ik denk dat de WTW op dit moment wél goed in de rekenmethode zit. Warmteterugwinning in de ventilatie is een vorm van warmtebeperking (net als b.v. isoleren). Warmte die je niet nodig hebt hoef je ook niet op te wekken. Hierdoor is WTW geen duurzame opwekking maar een beperking is van de warmtebehoefte. Een warmtepomp is een opwekker, welke tegen een hogere temperatuur dan de ruimte temperatuur warmte moet leveren (waarvoor een proces nodig is). Hierbij kun je fossiele bronnen gebruiken (zoals gas) of duurzame bronnen (zoals zonne- en windenergie).
Ik snap dan ook niet goed waarom in het artikel wordt benoemd dat het meenemen van WTW in de methodiek nadelig is (“Dit terwijl de besparing oftewel “warmtehergebruik” van de WTW in een balansventilatiesysteem niet meetelt, wat nadelig is om ventilatie met WTW toe te passen in de BENG”). Dit is namelijk niet het geval. Wanneer je WTW toepast gaat je BENG1 omlaag, waardoor je netto minder (duurzame) energie nodig hebt. Volgens de transmissieberekeningen van isso 51 telt deze ook mee in het berekende opgestelde vermogen van de warmtepomp. Hierdoor kun je bij toepassen van de WTW ook een kleinere warmtepomp kiezen.