Het opkrikken van de Utrechtse woningvoorraad naar energielabel B of A+ is nauwelijks te verantwoorden vanuit terugverdientijden.
Bij een groot deel van de woningen laten ingrepen zich pas na ruim een halve eeuw terugverdienen. Zelfs bij woningen met label A, die gebouwd zijn na 2006, duurt het 27 jaar voordat de investering zich heeft terugbetaald.
Dat blijkt uit een studie die het Planbureau voor de Leefomgeving uitvoerde naar de woningvoorraad in de gemeente Utrecht. “Voor veel eigenaren zal deze terugverdientijd te lang zijn om op basis van alleen een kostenafweging de renovatie uit te voeren”, zo stellen de onderzoekers.
Maatregelen die genoemd worden zijn gevel-, vloer- en dakisolatie en het vervangen van enkel of dubbel glas door HR++(+)-glas. Andere belangrijke verbeteringen zijn warmteterugwinning bij mechanische ventilatie en douche.
In het rapport wordt berekend wat het zou opleveren qua terugverdientijd als de gasprijs met een halve euro respectievelijk een hele euro per kuub verhoogd wordt (net iets minder dan 2 tot 3 keer de huidige gasprijs). Dat helpt. Bij een rijwoning die gebouwd is tussen 1975 en 1991 (label C) wordt de terugverdientijd van een labelsprong naar A+ verlaagd naar 29 respectievelijk 25 jaar.

Warmtepomp
Renovaties naar label A+ met een elektrische warmtepomp zijn eigenlijk helemaal niet terug te verdienen. Bij elk woningtype ligt de terugverdientijd op langer dan een eeuw. Met extra belasting op gas van een euro per kuub is dit in het gunstigste geval terug te brengen naar 26 jaar.
Utrecht heeft een paar jaar geleden de ambitie uitgesproken om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Volgens de onderzoekers in het rapport geven de twee varianten met een verhoogde gasprijs “een indicatie van de financiële inspanning die nodig is voor het realiseren van de klimaatneutrale warmte- en koudevoorziening van de gebouwde omgeving in Utrecht”.
Ze stellen verder dat “het van belang is om beleid in te zetten gericht op het realiseren van leereffecten en schaaleffecten (projectmatige aanpak) die leiden tot kostendalingen en daarmee een verbetering van de terugverdientijd.”


